Categorieën
Uncategorized

Hoofdstuk 6

Met een gelukzalig gevoel en nog steeds helemaal betoverd door de wereld van Charlie ploft Bonnie na haar onverwacht, maar oh-zo romantisch uitje, uitgeteld op haar bed. Gelukkig is ze onderweg geen bendelid tegengekomen en kan ze de confrontatie met een van hen tot morgen uitstellen. Terwijl ze een sigaret aansteekt, luistert ze naar de talrijke berichten op haar voicemail. Na twee nietszeggende berichten van haar moeder, klinkt een overstuurde Koen aan de andere kant van de lijn.
“Bonnie, waar zit ge meid? Ik heb u al tien keer proberen bellen. Ik zeg het u liever niet via voicemail, maar kom. Ik heb een ongeval gehad met m’n auto. Heel wat geluk gehad, maar ben er toch niet zonder kleerscheuren vanaf gekomen. Ik lig in het ziekenhuis. Bel me. Alsjeblieft.”
Bonnie’s hart staat even stil. Dat bericht is van vier dagen geleden. Zonder de andere berichten te luisteren, tikt ze Koens telefoonnummer in.
“Bonnie”, klinkt het opgelucht aan de andere kant van de lijn.
“Koen, sorry, ik zat onverwacht een paar dagen in het buitenland. Wat is er gebeurd?”
Een zucht weerklinkt.
“Dom geweest.”
Het blijft stil.
“Ik ben gecrasht me mijnen Audi.”
Bonnie slikt moeizaam en hoopt haar tong zo de nodige vochtigheidsgraad te geven om iets gezegd te krijgen, maar er komt niets.
“Ik was scheil en scheef”, volgt er na zeker 10 stille seconden.
Bonnie’s hoofd schudt ontgoocheld heen en weer.
“Ik moet in slaap gevallen zijn. Of efkes gewoon wég, want ik kan niet geloven dat ik in slaap ben kunnen vallen met al het spul da’k dienen avond in m’n lijf gejaagd heb. Alleszins ben ik op een rechte baan afgeweken en frontaal tegen een tegenligger gebotst.”
Ze voelt haar hartslag de hoogte in gaan naarmate het gesprek vordert, maar hoewel ze het probeert slaagt ze er nog steeds niet in er iets uit te brengen.
“Hij was op slag dood, diene gast. Ne kerel van onze leeftijd”, klinkt het gebroken.
Eindelijk slaagt Bonnie erin te reageren: “En jij, wat heb jij?”
“Niks dat in de buurt komt bij het lot van mijnen tegenligger. Komde ni gewoon nekeer langs?”, klinkt het na een tijdje.
“Koen, komaan gast. Ge kunt ni verwachten van mij dak nu gewoon in volle spanning naar u kom en dan pas te horen of te zien te krijgen wa ge voor hebt, verdomme.”
“Bonnie, ik heb gewoon ‘t één en ‘t ander gebroken, das al. Komt nu gewoon maar af.”
Ze knikt.
“Stuur me ‘t adres en uw kamernummer via sms. Maar ik kan echt pas ten vroegste morgen na ‘t werk komen. ‘k Moet daar echt eerst mijne kop late zien,” zegt Bonnie nog voor ze aflegt en verdwaasd achterblijft.

Terwijl ze naar het ziekenhuis rijdt waar Koen ligt, overloopt ze nog even de voorbije werkuren. Er stond een bezoek aan een klant met een berg achterstallige betalingen op de agenda. Het werd een vreemd bezoek. Partners in crime waren Desirée en Amy. Die laatste heeft haar sterren wel verdiend vandaag. Met brute kracht als enige wapen, heeft ze de 50-jarige vent ervan overtuigd om tegen het einde van de week 20.000 euro op te hoesten. Amy’s woorden ‘anders komen we nog eens terug en was dit maar een opwarmertje’ walsen nog door Bonnie’s hoofd.

Eenmaal Bonnie de kamerdeur van Koen opengooit, wordt ze met haar neus op de realiteit gedrukt en is er geen ruimte meer voor dagdromen. Een hoopje ellende ligt er in het bed. Een kleine glimlach kan eraf bij Koen, die in tegenstelling tot vorige keer nu volledig geschoren is. Zowel zijn baard als het haar op zijn hoofd zijn gereduceerd tot een millimeter of drie.
“Hey meid, eindelijk bezoek.”
Bonnie kust Koen op z’n met schrammen overladen voorhoofd en gaat naast ‘m zitten.
“Hebde nog geen bezoek gehad, ofwa?”
Koen schudt zijn hoofd.
“Mijn ouders zijn den eersten dag geweest, na ‘t ongeval. Maar toen uit de resultaten van mijnen bloedtest bleek da’k onder invloed was van ‘drank en drugs’, zijn ze ‘t afgetrapt. Ma natuurlijk ni voor ze duidelijk gemaakt hebben, da’k ni meer naar huis moest komen.”
Bonnie slikt moeizaam.
“Wanneer moede hier weg?”
Koen antwoordt niet.
“Wat hebde nu voor eigenlijk?”
In één beweging slaat Koen het laken van zich af. Zijn enige arm zit van boven tot onder in het gips en rond zijn ribbenkast zit een dik verband.
“Nu ziet ge d’r wel heel zielig uit”, klinkt het zachtjes uit haar mond.
Koen trekt een pruillip. 
“Mijnen arm is op twee plaatsen gebroken. Tijdens een operatie hebben ze alles met pinnen terug tegoei gezet. Maar da’s nog ni alles. Er is ook een rib gebroken. Da’s écht fucking pijnlijk”, zucht hij. 
“Ma bon, ‘t gaat wel al veel beter. Ik krijg dan ook goei pillen”, voegt hij eraan toe.
Bonnie kan haar oren niet geloven.
“Hoe lang gade hier nog mogen blijven, Koen?”, vraagt Bonnie.
Koen schudt zijn hoofd voor hij antwoordt.
“Ni meer zo lang, denk ik. Hoogstens nen dag of drie.”
“En waar gade dan naartoe?”
Opnieuw schudt hij zijn hoofd, maar deze keer voorzichtiger.
“Efkes op hotel, denk ik.”
“Op hotel”, floept Bonnie er verontwaardigd uit.
“Hoe kunde nu in uwe staat alleen in een hotelkamer gaan zitten? Ge gaat toch niks alleen kunnen? Hoe gade u wassen? Of uw in bed gaan liggen? Of gewoon gaan pissen?”
“Wat moet ik doen, Bonnie? Bij mij thuis kan ik echt ni meer gaan aankloppen ze.”
“Dat doede toch gewoon ni, Koen? Uwen eigen zoon in dezen toestand aan zijn lot over laten? Zelfs als hem zwaar…”
“Echt zwaar”, benadrukt ze voor ze verder gaat.
“in de fout is gegaan?”, vult ze verder aan.
“Ja, Bonnie, wa wilde da’k zeg. Ge kent mijn ouders ook ni e. Da past absoluut ni in het schoon imago da ze naar den buitenwereld willen uitstralen. Hunnen énige zoon. Gewoon aan de rand, neen den afgrond, van de maatschappij.”
“Toch vind ik het schandalig”, besluit Bonnie kordaat.
“Komt bij mij wonen”, floept ze er meteen daarna uit.
“Gewoon tot als ge van diene plaaster vanaf zijt. Dan kan ik u met alles helpen.”
De glimlach die op Koens aangezicht verschijnt, is onbetaalbaar.
“Zijde zeker?”, vraagt hij voorzichtig met pretoogjes.
Bonnie knikt en wrijft medelevend over Koens gemillimeterde hoofd.

Op weg naar huis belt Bonnie instinctief Charlie op. Net voor hij opneemt, realiseert ze zich dat het de eerste keer is dat zij hém opbelt.
“Bonnie?”
“Ja?”
“Scheelt er iets?”
“Ook een goeiedag, Charlie!”, bijt ze bitsig van zich af.
Charlie herpakt zich: “Goedenavond, prinses. Blij je te horen. Ik had je gewoon niet verwacht. Al bekomen van ons avontuur?”
Hij noemt haar prinses; haar hart weigert even dienst.
“Eigenlijk scheelt er wel iets.”
Ze aarzelt. Moet ze dit wel vertellen?
“Wat scheelt er dan, Bonnie”, tracht Charlie voorzichtig te weten te komen.
In één keer gooit ze er alles uit. Zonder veel details. Recht voor de raap: “Koen heeft een ongeval gehad. Hij is gebroken. Letterlijk en figuurlijk, eigenlijk. Niet meer welkom bij zijn ouders.”
“Hij komt even bij mij wonen”, voegt ze er nog snel aan toe.
“Wablief?”, klinkt het retorisch.
Goed wetende dat hij maar al te goed verstaan heeft wat ze net gezegd heeft, weigert ze haar woorden te herhalen.
“Dus gij gaat met ne vent samenwonen in een studio van nog geen dertig vierkante meter?”
Zijn dialect taalgebruik verraadt zijn opgejaagde staat van alertheid. Even wacht Bonnie af terwijl ze haar verschillende opties afweegt.

To fight or not to fight? That’s the question.

Uiteindelijk kan ze het niet laten hem uit te dagen.
“ Jaloers, Charlie?”
Ze hoort hem lachen, groen weliswaar, aan de andere kant van de lijn.
“Wat zou jij ervan vinden moest ik met een vrouw samenwonen?”
Bonnie denkt na en beslist tactisch te antwoorden.
“Laat ons eerlijk zijn, Charlie. Ik zou er niet van verschieten moest dat zo zijn. Ik weet niets van u.”
Zijn stilte verraadt hoe verrast hij is door haar repliek.
“Hoog tijd dat je mijn échte wereld eens ontdekt”, concludeert hij.
“Morgenavond acht uur, voor den Bar.”
Alsof ze constant klaar staat om door hem betoverd te worden! Maar toch bezwijkt ze onder zijn aantrekkingskracht en stemt ze in met een simpele ‘ok’.
“Draag een van die strakke zwarte jurkjes van jou”, sluit Charlie uitdagend af voor hij de lijn onderbreekt.

Onder het motto ‘zo gezegd, zo gedaan’ staat Bonnie om klokslag 20 uur en na een alweer drukke werkdag in ‘een van die strakke zwarte jurkjes van haar’ voor den Bar. En naar goede gewoonte duurt het geen minuut of Charlie stopt met zijn oldtimer voor de deur.

“Klaar voor mijn échte wereld?”, vraagt de in een zwart maatpak gehulde Charlie. Zijn blonde bos is opnieuw met gel strak naar achteren gekamd.
Bonnie geeft hem een snelle kus en knikt enthousiast. Terwijl Charlie de oldtimer even flink uitlaat, stelt The Clash zich dezelfde vraag als Bonnie … 

It’s always tease, tease, tease
You’re happy when I’m on my knees
One day it’s fine and next it’s black
So if you want me off your back
Well, come on and let me know
Should I stay or should I go?

The Clash

De ronkende motor komt tot stilstand voor een gerenoveerde rijwoning waarvan meer dan de halve gevel uit glas bestaat. Op de spierwitte gevel prijken zes gigantische glanzende zwarte letters. De minimalistische slanke benen van de hoge letters lichten een tipje van de sluier op van wat hen binnen te wachten staat.
“She Mwoa.”
“Welkom bij mij”, lacht hij geheimzinnig voor hij uitstapt. Voor Bonnie haar deur kan openen, wordt dat reeds voor haar gedaan. Een onbekende jongeman in een strak zwart kostuum buigt nederig zijn hoofd.
“Goedenavond, juffrouw. Bienvenue chez moi”, zegt hij terwijl hij Bonnie recht in de ogen kijkt.
Nu pas snapt ze de naam van de bar. Eén blik op Charlie verraadt haar.
“Je had het niet door, hé?”, lacht hij.
Zijn vraag wegwuivend schudt ze haar hoofd en rolt ze met haar ogen.
“Kom, ik ben benieuwd.”

Bonnie wordt weggeblazen door het interieur van de zaak. De moderne maar warme combinatie van donkerbruin hout, bruin lederen meubilair en witte muren ademt een thuisgevoel uit. Het haardvuur in het hart van de zaak maakt het plaatje helemaal af. De man die net haar portier opende, benadert Bonnie opnieuw.
“Ik heb de perfecte plek voor jullie”, klinkt het ondeugend met een vette knipoog naar Charlie, die op zijn beurt antwoordt met een droog goedkeurend knikje.
Ze volgt de man wanneer hij koers zet naar een hoek achterin het etablissement die gedeeltelijk is afgesloten door een kamerverdeler gemaakt uit slanke takken van exact dezelfde lengte die boven- en onderaan samen worden gehouden door een metalen constructie. De man wijst haar een kastanjebruine lederen tweezit aan en gebaart haar te gaan zitten. Wanneer Bonnie zich goed in de zetel genesteld heeft, blijkt dat Charlie niet gevolgd is maar is blijven hangen bij de barman. Van daaruit kan ze hem echter perfect gadeslaan. Het valt haar op hoe anders zijn houding is dan ze van hem gewoon is, de laatste paar intense dagen. Zijn borstkas staat iets meer open en zijn schouders heft hij net dat tikje meer op. Zijn strakke lichaam komt perfect tot zijn recht in dat maatpak van hem.

Een ondertussen reeds bekende stem haalt haar uit haar dagdroom. Ze kijkt op en ziet weer dezelfde man paraat staan met een fles Veuve Cliquot en twee champagneglazen.
“Mag ik u alvast een glaasje inschenken, juffrouw?”
Eén blik op Charlie wijst er al op dat hij niet meteen van plan is naar haar te komen. Hij werpt haar een blik toe en steekt verontschuldigend zijn wijsvinger op, wijst ermee naar de fles wijn en gebaart dat ze al wat moet drinken. Ze keert zich opnieuw naar het ontvangstcomité.
“Zeg maar Bonnie”, klinkt het terwijl ze een glas van hem aanneemt en duidelijk maakt dat hij de fles mag openen.
Ondertussen rommelt ze wat in haar handtas, op zoek naar een sigaret en haar zippo. Maar nog voor ze deze kan aansteken, maakt de ober met één afkeurende wijsvinger duidelijk dat ze dat niet moet proberen.
“Roken kan in de rookkamer achter de bar, juffrouw Bonnie”, klinkt het haast verontschuldigend.
Bonnie haalt haar schouders op, neemt het gevulde glas champagne en verhuist naar de rookkamer die op een man van een jaar of veertig na volledig leeg is. Licht ongemakkelijk knikt Bonnie beleefd voor ze helemaal aan de andere kant van de ruimte op een stoel gaat zitten en snel haar sigaret aansteekt.
“Dag juffrouw”, klinkt het niet veel later.
Bonnie voelt hoe het bloed in haar lichaam naar haar hoofd stijgt.
“Dag meneer.”
Haar stem lijkt die van een onzeker preuts meisje.
“Zeg maar Luc.”
“En jij bent?”, volgt er vragend wanneer Bonnie niets terug zegt.
“Bonnie.”
Ze heeft haar stem opnieuw onder controle. Geen plaats hier om braaf uit de hoek te komen.
“Wel een mooie zaak, zeg”, floept ze er wat gemaakt uit.
“Dat klopt volledig. Des te meer nog omdat het elke keer opnieuw ‘interessant’ nieuw volk naar zich toe weet te trekken”, knipoogt hij.

Bonnie voelt meteen waar deze ontmoeting naartoe zal leiden. Wat is dat toch met mannen? Zijn die daadwerkelijk niet in staat gewoon een praatje te slaan met een vrouw en hun dierlijk instinct even de kop in te drukken? Blijkbaar niet, want de vent weet niet van ophouden.
“Wat doet een aantrekkelijke dame als jij hier alleen in de rookruimte van She Mwoa?”
Ze laat haar rollende ogen de vrije loop.
“Als je op mannenjacht bent, vraag ik je nu al om je rooftocht hier en nu te beëindigen. Ik wil wel de man aan jouw zijde zijn vanavond.”
Van direct gesproken.
“Ik ben hier allesbehalve op mannenjacht, Luc.”
Haar woorden lijken het tegenovergestelde teweeg te brengen dan wat ze ermee bedoelde. Hij komt op haar af en neemt de stoel vlak naast haar.
“Een vrouw is niet zo gekleed als ze niet op mannenjacht is”, fluistert hij voor hij zijn hand op haar blote dij legt. Bonnie veert op en slaat zijn hand van haar dij. De deur van de rookkamer gaat open en tot haar grootste blijdschap blijkt het Charlie te zijn die binnenkomt. Hij haalt zijn ogen niet van het tweetal af terwijl hij een sigaret bovenhaalt en ze op zijn onderlip laat bengelen.
“Iemand een vuurtje”, vraagt hij terwijl hij hen nadert.

Het is Luc die in zijn broekzak tast en Charlie nog voor hij het kan aanpakken een aansteker toegooit. In een vloeiende beweging vangt Charlie deze op en steekt er zijn Marlboro mee aan.
“Ik stoor toch niet?”, vraagt hij uitdagend met zijn blik eerst even op Bonnie, maar nadien strak op Luc die duidelijk wat nerveus geworden is sinds Charlie’s komst.
“Een beetje toch”, durft hij er dan toch uitgooien.
“Sorry, Luc. Ik zal het even aan de juffrouw vragen…”
“Bonnie”, verduidelijkt Luc aan Charlie, die hierop dankbaar knikt.
“Heb ik hier een magisch moment tot een te vroeg einde gebracht, Bonnie?”, vraagt hij met een duidelijke spot in zijn stem.
“Integendeel, meneer”, antwoordt ze zelfzeker.
“Je hebt er net één opgestart”, antwoordt ze voor ze zich recht zet en op hem toe stapt. Ze neemt zijn sigaret uit zijn mond trekt ervan totdat ze roodgloeiend staat. Dan kijkt ze achterom en zet ze Luc op zijn plaats.
“Ik ben hier niet op mannenjacht. Ik ben hier voor hém.”
Luc wendt zijn ogen meteen af.
“Sorry, Charlie. Ik wist niet dat ze bij u hoorde.”
Parmantig slaat Charlie zijn arm over haar schouders.
“Geen probleem, Luc. Ge kunt er niet aan doen da ge ne vetzak zijt.” 
“Kom”, sluit Charlie af terwijl hij met zijn hoofd een knikje naar de deur maakt.
Het signaal voor Luc om zich uit de voeten te maken.

“Sorry”, fluistert Charlie in Bonnie’s voor zijn lippen zich een weg banen van haar nek, langs haar sleutelbeen richting de plek waar haar twee borsten elkaar vinden. Wanneer ze zijn vingers tussen haar benen voelt, duwt ze hem wat van zich af.
“Is dit uw wereld, Charlie? Ik wil zien waar je leeft, met wie je leeft. Dit hier…”, wijst ze rond in de lege ruimte, “… ken ik al.”
Toegeeflijk buigt Charlie zijn hoofd licht waarna hij haar hand grijpt en haar uit de rookruimte begeleid. Terwijl zijn hand omhoog schuift en haar billen vinden die strak in haar jurk zijn afgetekend, kust hij haar uitdagend in haar nek.
“Dan doen we het en plein public”, fluistert hij voor hij haar optilt en op een barkruk aan de toog zet. Hij trekt haar benen wat open en vindt zijn weg ertussen met zijn middel. Als hij haar bekken met een vaste grip aan haar onderrug wat kantelt, voelt ze zijn halfstijve lul door de dunne stof van zijn kostuumbroek. Wat gegeneerd kijkt ze rond zich heen. Niemand in de bar lijkt op te kijken van hun intieme interactie. Alleen de barman werpt haar een ondeugende knipoog wanneer ze zijn blik vangt. De vinger die een weg heeft gevonden tussen haar benen haalt haar terug bij de zaak. Voorzichtig, doch doelgericht, trekt hij haar slipje opzij en vindt al snel haar clitoris. Bonnie spant zich op en laat zich een zachte kreun ontglippen, tot groot jolijt van Charlie. Wanneer hij met zijn lippen dezelfde weg opgaat dan daarnet in de rookkamer, kijkt Bonnie opnieuw rond zich heen. Ditmaal blijft haar blik hangen op een vrouw wat verderop die verdacht veel op… Amy lijkt. Haar twijfel verdwijnt als Amy haar recht in de ogen kijkt en met een brede glimlach knipoogt. Ongemakkelijk lacht ze terug. Maar haar ogen verraden haar paniek. Tot daar het stiekeme…

“We moeten hier weg”, zegt ze met een piepstemmetje terwijl ze zijn hoofd dertig centimeter naar boven brengt.
“Nu”, voegt ze er smekend aan toe. 
Zonder verdere vragen, neemt Charlie haar hand beet en leidt hij haar vliegensvlug naar zijn wagen, die hij met piepende banden laat vertrekken.
“Wat is er?”
Bonnie schudt haar hoofd en wendt zich van hem af. De huizen passeren bliksemsnel.
“Amy was er.”
“Dat ik daar niet aan gedacht heb”, klinkt het terwijl hij zich op het voorhoofd slaat.
“Die komt daar meer ofzo?”
Charlie haalt zijn schouders op.
“Die is al een paar keer geweest. Maar kon ik weten dat ze hier vanavond ging zijn?”
“Sorry”, klinkt het wat stille minuten later terwijl hij een ondergrondse parking binnenrijdt.
“Waar neem je me nu naartoe?”
“Chez moi”, lacht de deugniet.
Bonnie kan haar oren niet geloven, maar volgt haar vlam toch een lift in.

Wanneer de lift opent op de bovenste verdieping, worden ze verwend door een statige Britse korthaar die Bonnie meteen kopjes begint te geven.
“Louis, dit is Bonnie. Bonnie, Louis. Mijn roommate.”
De kat is duidelijk onder de indruk van het vrouwelijk gezelschap, want nog voor Bonnie zich in de gigantische designsofa kan nestelen, zit hij al op haar schoot.
“Gezellig welkomstcomité ten huize De Raedt”, klinkt het van haar kant.
Hij glundert.
“Ik had je al veel langer naar hier moeten brengen.”
Hij gooit zijn blazer over een barstoel aan het kookeiland en knoopt de drie bovenste knopen van zijn wit hemd open.
“Wat wil je drinken?”
“Een Baileys, als je dat hebt tenminste.”
“Coming up. Rol jij nog een van die joints van jou, als je wil.”
Bonnie knikt en doet wat van haar gevraagd wordt. Net voor ze ‘m wil opsteken, houdt Charlie haar tegen.
“Kom, we gaan op m’n terras zitten. Hier wordt niet gerookt binnen. Dat is een regel”, lacht hij.

Het terras kijkt uit op de hele noordkant van de stad. Terwijl Bonnie over de reling naar de talrijke lichtjes kijkt en langzaam aan haar joint lurkt, draait Louis wat rond haar benen.
“Wel een aandachtshoer, die kat van je.”
Charlie knikt, neemt de joint uit haar hand en trekt er een paar keer hard aan, zonder hoesten deze keer.
“Zo dier, zo baas”, grapt hij luid.

Een vreemd alarm haalt Bonnie bruusk uit haar slaap. Even is ze vergeten waar ze is, maar wanneer ze zich draait en de slaperige blik vangt van Charlie weet ze het meteen. Naast hem, in zijn bed.
“Hoe laat is het”, vraagt ze met krakende stem.
“Acht uur.”
“Fuck”, klinkt het snel voor ze uit het bed springt en zenuwachtig heen en weer loopt door de loft, op zoek naar haar spullen.
“Ik moet om 9 uur beginnen.”
“Geen stress, meid. Neem maar één van m’n auto’s. Dan ben je aan den Bar binnen het kwartier. Snel nog een koffie?”
Ze knikt. Wat een vent. Toch? Ze gooit de koffie achterover en volgt hem de lift in naar de garage. Haar hart maakt een sprongetje bij de aanblik van zijn arsenaal aan wielen. 
“Welke neem je?”, lacht hij. 
“Niet je rammelbak, alleszins”, plaagt ze. 
“Die zou ik je ook niet meegeven”, kaatst hij terug. 
Haar oog valt op een rode Mazda. 
“De MX-5?”, knikt hij goedkeurend. 
“Goeie keuze.” 
Hij rommelt in het kastje aan de muur, haalt er een sleutel uit en stopt die haar toe. 
“Ik wil hem in één stuk terug”, knipoogt hij. 

Klokslag 9 uur zit Bonnie aan haar desk. Terwijl ze enkele keren diep in- en uitademt, kijkt ze rond en merkt nu pas dat het licht in Anita’s bureau al brandt. Tot dan had ze gedacht dat ze als eerste was toegekomen. Wanneer Bonnie haar mailprogramma opstart, valt haar meteen de laatst binnengekomen mail op. Van Anita.
“Bonnie, spring je zodra je dit leest even binnen? A.”
Zo gezegd, zo gedaan. Schoorvoetend betreedt Bonnie haar moeders bureau en sluit ze de deur achter zich.
“Goeiemorgen, Bonnie. Goed geslapen?”
“Goeiemorgen mams”, antwoordt ze haar vraag negerend.
“Hebde mijn dagboek al gelezen?”
Bonnie schudt haar hoofd.
“Een paar stukken. Waarom?”
“Omdat ge uit mijn fouten zou kunnen leren. Daarom heb ik u dat boek ook in de eerste plaats gegeven. Niet om u een inkijk te geven in mijn leven, maar om u te behoeden voor beslissingen die ik in het verleden genomen heb die slecht zijn afgelopen.”
Bonnie speelt geagiteerd met de balpen op het bureau van haar moeder terwijl ze haar verder laat praten.
“Ik zal maar direct met de deur in huis vallen. We hebben immers werk genoeg vandaag. Ik heb me nooit met uw liefdesleven gemoeid, dat weet ge hé, Bonnie.”
Even houdt Anita halt. Tijd voor Bonnie om te knikken. Ze beseft al welke kant dit gesprek op gaat. Die klote Amy. En Charlie met zijn kloteplan.
“Maar als uw liefdesperikelen mijn bedrijf beïnvloeden, is het tijd om in te grijpen. Dat begrijpt ge toch, Bonnie?”
“Mams, alstublieft. Gade mij vanaf nu dan zeggen met wie ik al dan niet mag praten?”
Haar stem klinkt bitsiger dan ze bedoelt.
“Neen. Ik ga u uw eigen fouten laten maken. Alleen zo gade der blijkbaar uit leren. Ik wou u gewoon waarschuwen. Charlie da’s ne lepe vos, neem het van mij aan. Hij wikkelt u zonder moeite rond zijn vingers met zijn praatjes en avontuurtjes. En voor dat ge ‘t weet, zijde verkocht. Klinkt u dat bekend in de oren?”
Bonnie beslist niet te antwoorden, maar met haar ogen te rollen. Haar moeder gaat verder.
“Aan uw reactie te merken, heeft hij u al in zijn macht. Weet gewoon dat ge niet de eerste zijt, bij wie hij zijn trukendoos heeft opengedaan.”
“Denkt ge nu echt da ‘k nog ni wist dat gelle een koppel zijt geweest?”
Anita schrikt van Bonnie’s antwoord.
“Dan moet ge zeker mijn dagboek lezen, meid”, concludeert ze.
“Als er iemand is van wie ik geen liefdesadvies hoef te krijgen, is het van u mama. Het is niet dat gij het toonbeeld zijt van een vrouw met een standvastig liefdesleven.” 
Anita zucht. 
“Dat weet ik ook wel, Bonnie. Ik voel gewoon dat hier vodden van gaan komen. Maar ge hebt gelijk. Ge moet uw eigen fouten maken. Maar zorg er verdomme voor dat ik er geen last mee krijg.” 
Een bescheiden knikje van Bonnie volgt. 
“Nog iets, Anita?” 
Anita schudt haar hoofd voor ze haar aandacht richt op haar computerscherm. Bonnie zucht eens diep voor ze het bureau uit stapt. Wanneer ze terug aan haar eigen desk zit, kijkt ze wat verdwaasd voor zich uit. De gedachte aan Charlie en haar moeder bezoedelen haar verliefde roes. Daar moet ze toch het fijne van weten… Ze besluit vanavond het dagboek door te nemen op zoek naar passages over Charlie.

8 november 2003

                     Dertig worden is geen lachertje. Gedaan met de gouden twintigerjaren waarin je ongedwongen kon fladderen. Dat fladderen werd sowieso al getemperd, met dat kind dat al schoolgerechtigd is, maar toch voelt die dertig als een mijlpaal.

Een flinke reden om nog eens een jonge vent aan de haak te slaan, was mijn beweegreden om gisteren flink de bloemetjes buiten te zetten. De resultaten laten zich raden: als cadeau een stevige kater op mijn verjaardag. Maar wat een nacht gisteren. Ik heb de kleinzoon van Victor ontmoet: Charlie. Ik zweer het je: die vent heeft het helemaal. De eeuwige jeugd, als je ’t mij vraagt. 24 is hij, maar eerlijk gezegd ziet hij er nog veel jonger uit. Zijn blonde krullenbol en brede glimlach betoverden me in een oogopslag. Zijn praatjes maakten het plaatje af. Hoewel ik vandaag ten zeerste betwijfel of al wat ‘ie beweerd heeft wel waar is, zweefde ik gisteren ver boven de wolken. Lang geleden dat een man me nog zo heeft kunnen inpalmen. Ik dacht dat ik daar al wel over was. Maar niets is minder waar. Terwijl ik helemaal klaar was om eens flink van bil te gaan, hield hij het na een uurtje voor bekeken. Een zedige kus op mijn wang ter afscheid. Hij brandt er nog steeds een gat in.

Bonnie’s hart vergeet even te slaan. Hoewel ze niets liever zou willen dan verder te lezen en te weten te komen hoe het tussen Charlie en haar moeder is verlopen, slaat ze het boek toe. Bonnie slaagt er niet in haar blik af te wenden van haar kersverse kamergenoot en de staat waarin hij verkeert. Ze is Koen gaan ophalen in het ziekenhuis en heeft hem rechtstreeks naar haar studio geleid. Daar heeft hij zich als een hoopje ellende genesteld in haar hoekzetel.
“Vijf weken nog zonder enige arm. Ge beseft echt ni dat ik u voor alles ga nodig hebben.”
Bonnie haalt haar schouders op.
“Daar zijn vrienden voor, Koen.”
“Al zijn er wel limieten. Verwacht maar niet dat ik u ga rukken!”, probeert ze lachend de situatie wat te verlichten.
Effect heeft het. Er verschijnt voor het eerst een grijns op Koens gezicht.
“Hoop doet leven”, klinkt het.
Bonnie neemt haar glas rode wijn van de tafel en steekt het de lucht in.
“Op nieuwe roommates”, klinkt het.
Koen knikt en zuigt uit het rietje van het glas wijn voor hem op de salontafel.
“Bedankt Bonnie. Ik weet niet wat ik zou doen zonder u.”
Het belsignaal van de oven haalt hen uit hun melige dialoog. De lasagne is klaar. Het eerste avondmaal. Bonnie springt recht en haalt deze uit de oven. Ze grabbelt snel in haar schuif naar een mes en vork en loopt terug naar haar kamergenoot. Ze zet er zich naast en snijdt de lasagne aan. Nadat ze goed geblazen heeft op de flinke hap op het vork in haar hand, steekt ze deze in Koens mond.
“Smakelijk, Koen.”
Na de eerste paar happen, ontsnapt er bij Koen een diepe zucht. 
“Ik ga zelfs niet alleen kunnen eten.”
Ook Bonnie zucht op haar beurt.
“Koentje, we gaan iets afspreken. Eén regel.”
Even neemt ze een pauze.
“You can’t always control circumstances, but you can control your attitude towards them.”
Het blijft stil aan de tafel, de borden onaangeroerd. Bonnie gaat verder.
“Ik ga u niet toestaan weg te kwijnen in zelfmedelijden. De regel is dat ge vanaf nu niet meer moogt klagen over uwen toestand. Ge moogt mij om hulp en om raad vragen. Ik zweer het u, ik zal alles proberen om u het leven terug met beide handen…”
Koen lacht luidop bij het horen van de uitdrukking.
“Met beide handen te laten grijpen. Figuurlijk dan, Koen. Alles komt goed, soms duurt het alleen wat langer.”
Koen knikt bevestigend.
“Ge hebt gelijk Bonnie. Ik ga m’n best doen me niet te laten leiden door zelfmedelijden. Merci meisje. Dat ge er zijt voor mij. Wat zou ik zijn zonder u?”
Koen legt zijn hoofd op haar schouder en zijn lippen vinden haar hals.
“Nu we het toch over regels hebben…”
Even twijfelt ze. Maar het moet gezegd worden. Nu is het ideale moment, beseft ze.
“Een tweede regel, Koen. Als ge hier komt wonen, kunnen we echt alleen vrienden zijn. Ik wil mij niet constant druk maken in mogelijke avances.”
Koen knikt zichtbaar ontgoocheld.
“Ge hebt gelijk Bonnie. Ik ga m’n best doen.”
Bonnie legt haar hand op zijn bovenbeen en klopt er een paar keer zacht op.
“Dat is het enige wat ik u vraag.”

Een binnenkomend bericht op Bonnie’s iPhone haalt het duo uit hun diepzinnige roes. Snel neemt Bonnie ‘m van de tafel en ziet meteen de letter C op het scherm prijken. In één klik zit ze opnieuw in zijn wereld.
“Mijn wereld mist iemand.”
De glimlach die Bonnie’s gezicht omlijst, blijft bij Koen niet onopgemerkt.
“Nog altijd dezelfde vent?”
Zijn ogen branden van nieuwsgierigheid. Bonnie knikt en voelt haar wangen rood worden.
“Hij heeft u beet, ik zie het gewoon aan uw lachske”, lacht hij.
“Helemaal niet”, verdedigt Bonnie zich. Hoewel ze zeker van haar stuk lijkt, broeit er diep vanbinnen een stevige twijfel. Heeft hij haar beet? Of misschien nog belangrijker: heeft zij hém beet? 
“Er is van beet nog geen sprake”, probeert ze het af te wimpelen.
“Ik mis je wereld wel een beetje”, stuurt Bonnie zonder al te veel nadenken terug. Zoals gewoonlijk duurt het nog geen dertig seconden voor ze een antwoord krijgt.
“Een beetje maar?” 
“Een heel klein beetje”, antwoordt Bonnie plagend. 
“Plannen vanavond?”
Bonnie’s ogen rollen in hun kassen. Gelukkig ziet hij het niet, merkt ze op. Maar Koen doet dat wel.
“Meid, ge zijt helemaal verkocht. Ge straalt gewoon. Kom, als we dan toch gewoon vrienden zijn, moet ge me de details gunnen.”
Bonnie steekt haar wijsvinger op.
“Nog efkes geduld en ik vertel u alles”, knipoogt ze.
Haar aandacht opnieuw op het toestel, tipt ze: “Ik ben midden in een intiem welkomstdiner met m’n kersverse roommate. Morgen? Bx.”
Tien seconden later: “Dus je hebt het toch gedaan?”
Bonnie schrikt van zijn antwoord. Dat is niet van zijn gewoonte.
“Wat dacht je?”
Ze wil ‘m uit zijn tent lokken. Wat wonderwel lukt.
“Mijn hart bloedt. C.”
Wat een cliché weer, maar toch raakt het haar. Gelukkig ziet hij haar reactie niet en maakt ze van het medium gebruik om harder uit de hoek te komen dan dat ze ooit in het echt zou durven.
“Jaloers, meneer C?”
“Jaloers zijn is voor losers. Ik bewijs je dat morgen. 19 uur aan den Bar. Meneer C.”
Bonnie knikt trots. Score! Droogjes antwoordt ze: “Ik ben benieuwd. Bx.”
Dan klikt ze haar gsm uit en trakteert ze haar kersverse huisgenoot op het hele verhaal, van a tot z. Het is een opluchting om alles op tafel te gooien.