Categorieën
Uncategorized

Hoofdstuk 27

Ze hoort het donderen in Keulen als ze voor de derde keer de deurbel hoort en er eindelijk in slaagt een voet uit bed te zetten. In de hoek van de slaapkamer vindt ze de kamerjas die ze over haar t-shirt van The Black Widow aantrekt voor ze de tocht naar de voordeur inzet. Als ze op het scherm van de videofoon inspecteur Verhaeghen herkent, stokt haar adem. Even dreigt ze te panikeren, maar al snel vindt ze heil bij de bemoedigende woorden die Ben haar gisteren heeft toegefluisterd. “Laat uw gevoelens maar de vrije loop.”
Aarzelend neemt ze de hoorn op.
“Hallo”, zegt ze met een veel lagere stem dan gewoonlijk.
“Mevrouw De Raedt?”, klinkt het aan de andere kant van de lijn.
“Ja, wie is ‘t?”, houdt ze zich van de domme.
“Inspecteur Verhaeghen. Kan je me binnen laten?”
Ze beantwoordt zijn vraag met een druk op de knop waardoor de deur opent en agent Verhaeghen opeens recht voor haar staat. Met één hand houdt ze haar kamerjas wat toe en met de andere begroet ze de politieman.
“Goeiemorgen, inspecteur”, klinkt ze beleefd.
Hij knikt.
“Gaat u even zitten, mevrouw De Raedt.”
Met lood in haar schoenen zet Bonnie post naar de zetel. Eens erin geploft kijkt ze de agent met grote angstige ogen aan. Haar onderlip gaat een eigen leven leiden. Ze voelt hoe ze haar hoofd schudt.
“Het is niet waar, hé”, zegt ze half binnensmonds.
Inspecteur Verhaeghen schraapt zijn keel voor hij zijn woorden vindt.
“Ik zal maar met de deur in huis vallen.”
De pauze die hij neemt voor hij verder gaat, lijkt een eeuwigheid te duren.
“Uw echtgenoot werd vanochtend in een hotel gevonden door een kamermeisje. Ze heeft hem poedelnaakt aangetroffen met een injectiespuit in de hand. Alles lijkt erop dat hij een overdosis heroïne heeft genomen.”
Bonnie kijkt apathisch voor zich uit. De krop die zich sinds gisterenavond gemanifesteerd heeft in haar keel is uitgegroeid tot een kankergezwel waardoor ze niet meer in staat is te ademen, laat staan er één woord uit te krijgen. Ze voelt de tranen in haar ogen opwellen tot ze overlopen en een weg zoeken naar beneden. Ze vallen in de open handpalmen op haar schoot.
“Het hotelpersoneel heeft meteen een ambulance laten komen. Het medisch personeel is ter plekke overgegaan tot reanimatie”, klinkt het vanuit de verte.
Nog steeds is Bonnie niet in staat er ook maar één woord uit te brengen.
“Uw man heeft geluk gehad door de snelle reacties van zowel het hotelpersoneel als de medische hulpdiensten. Ze hebben hem stabiel gekregen, maar hij is nog buiten bewustzijn. Ze vermoeden dat dit niet lang meer zal duren.”
Een ijskoude rilling trekt over Bonnie’s rug.
“Hij is niet dood?”, is het eerste wat ze eruit krijgt.
Inspecteur Verhaeghen schudt zijn hoofd.
“Hij is door het oog van de naald gekropen, die vent van u.”
Die woorden ontvlammen Bonnie. Meteen schiet ze in actie.
“Ik wil hem zien”, stamelt ze terwijl ze haar spullen bij elkaar zoekt.
“Kalm aan, mevrouw De Raedt. U bent duidelijk in shock”, zegt Verhaeghen zacht terwijl hij op haar schouder klopt.
“Neem rustig een douche en kleed u aan. U kunt toch niet in uw kamerjas naar het ziekenhuis vertrekken? Als u wil, wacht ik hier op u en breng u als u klaar bent naar uw echtgenoot.”

Bonnie kan alleen maar knikken. Als een zombie zet ze post richting douche. Duizend gedachten dwalen door haar hoofd terwijl ze haar kamerjas de grond op laat vallen. Wanneer ook haar T-shirt op de grond valt, stapt Bonnie de inloopdouche in. Het water valt als tropische regen op haar neer. Terwijl de gedachtestroom in haar hoofd voorbijraast, fixeert zij zich op de druppels op de scheidingswand die tergend traag de zwaartekracht trachten te trotseren. Ook Bonnie kan de kracht van de zwaartekracht niet aan en laat zich als een hoopje ellende op haar kont vallen. Tranen vermengen zich met water.

Alles is één grote roes tot Bonnie samen met inspecteur Verhaeghen aankomt op intensieve zorgen. Hij voert het woord.
“We komen voor Charlie De Raedt”, hoort Bonnie hem zeggen.
De corpulente dame achter de balie, die duidelijk onder de indruk is van de verschijning van Verhaeghen, bladert wat door haar papieren tot ze halt houdt bij één dossier.
“Meneer De Raedt is een kwartiertje geleden bij bewustzijn gekomen”, klinkt het trots.
“Hij vroeg meteen naar zijn vrouw”, gaat ze verder.
“Bent u dat soms?”, klinkt het terwijl de vrouw zich tot Bonnie richt.
Met wijd opengesperde ogen kan Bonnie alleen maar knikken.
“Hij ligt in unit 7”, hoort Bonnie nog voor ze zich omkeert en op zoek gaat naar haar man met inspecteur Verhaeghen in haar kielzog.
Bij de gesloten deur met daarop een grote zwarte nummer 7 houdt ze halt. Door het raam in de deur ziet ze hem liggen. Haar onverslaanbare man. Net voor ze de deur opent, slaagt ze er eindelijk in de gigantische krop in haar keel door te slikken. Eén blik op zijn grootse blauwe ogen doet haar smelten. Met oncontroleerbare tranen die over haar wangen rollen, vliegt ze hem in de armen. Ook hij slaat zijn armen over haar heen. Dan fluistert hij.“Nice try, baby.”