Categorieën
Uncategorized

Hoofdstuk 23

Leave me out with the waste
This is not what I do
It’s the wrong kind of place
To be cheating on you
It’s the wrong time
But she’s pulling me through
It’s a small crime
And I’ve got no excuse

Damien Rice

Met man en macht probeert Bonnie haar adem terug onder controle te krijgen. Het rustige nummer op radio helpt haar erbij. Ze weet niet wat zeggen. En Charlie evenmin. Haar moeder was fel uit de hoek gekomen toen Bonnie had aangekondigd dat ze met Charlie in het huis ging wonen. Met slaande deuren is Bonnie vertrokken, met twee valiezen in elk hand Charlie’s wagen ingevlucht. Hij had geweigerd om mee binnen te gaan. Dus had ze de drie verdiepingen met die zware valiezen alleen moeten afleggen terwijl haar moeder maar bleef doorbomen over naïviteit en impulsiviteit. De BMW’s paarden houden bruusk halt voor de oprijlaan. Wanneer ze geparkeerd zijn, merkt Bonnie de rode loper op die loopt van de plaats waar ze haar voet neerzet als ze de auto uitstapt tot aan de voordeur van de villa. Charlie grijpt galant haar hand vast en begeleid haar het huis in. Net voor de voordeur houdt hij halt en gebaart hij met zijn wijsvinger dat Bonnie ter plaatse moest blijven. De twee valiezen neemt hij kort van haar over om ze binnen neer te zetten. De deur laat hij openstaan. Hij grijpt haar beet en houdt haar vast in zijn armen. 
“Je bent echt lichter geworden”, klinkt het voor hij haar naar binnen draagt. 

Charlie zet Bonnie met haar benen op de grond en duwt haar tegen de muur in de hal. Haar handen houdt hij boven haar hoofd. Een flashback naar de man in Antwerpen flitst door Bonnie’s hoofd, maar één blik op Charlie’s geile ogen en ze flitst hem weg als troebel beeld in een viewmaster. Ze drukt haar kruis tegen het zijne aan. Hij heeft er zin in. En zij ook. Ze sluit haar ogen en bijt op haar lip. 
“Hier heb ik naar uitgekeken.” 
Hij knipoogt voor hij met zijn mond verdwijnt in haar nek. Een rilling loopt over Bonnie’s rug. Zijn hand vindt de rits van haar nieuwe zwarte lederen jasje en trekt het vakkundig naar beneden. Door haar schouders naar achteren te hellen, valt het jasje van Bonnie’s lichaam. 
“Wat een geile salopette.” 
Zijn vingers vinden de sluiting ter hoogte van haar borst en duwen deze open. Hij doet hetzelfde aan de andere kant waardoor de flap naar beneden valt en de slogan op haar topje zichtbaar wordt. Hij knijpt stevig in haar strakke borsten. 
“Ik wil je neuken, prinses”, kreunt hij. 
Ze grijpt zich vast aan zijn nek en springt met beide benen rond zijn zij. 
“Gaat ervoor.” 
Zijn handen zoeken steun aan haar billen. Hij neemt haar mee de slaapkamer in. Voor het bed, zet hij haar met beide voeten op de grond. Langzaam trekt hij haar T-shirt uit voor hij haar op het bed duwt. Ze laat zich gewillig vallen. Een voor een gaan haar laarzen en sokken uit waarna ook haar broek op de grond verdwijnt en ze in haar ondergoed achterblijft. Met een handige beweging ontdoet hij haar van de bh aan en de slip. Op zijn beurt ontdoet Charlie zich van zijn kleren. Ook zijn boxershort gaat uit waardoor zijn pronte stijve trots de hoogte in steekt. 
“Ik ga je meer dan ooit doen klaarkomen, prinses”, fluistert hij voor hij haar overlaadt met kusjes. Alle opgebouwde spanning valt in één keer van Bonnie’s schouders af wanneer ze hem in haar voelt komen. Een verlossend kreuntje ontsnapt haar. 

Een tikkeltje gespannen zet Bonnie de kraag van haar lederen jasje wat rechter voor ze een van de deurbellen indrukt op het grote paneel in de inkomhal van een gigantisch appartementsblok. Er staat in drukletters “BEN” naast de toets op de bel. Ze twijfelt even voor ze erop drukt.

Waarom heeft hij gisteren contact opgenomen? Waarom moest hij haar zo nodig vanochtend zien? En de belangrijkste … waarom mocht ze niets tegen Charlie zeggen?

Maar één manier om erachter te komen, verzekert ze zich ervan voor ze de sprong waagt. 
“Dag Bonnie, ge ziet er stralend uit”, klinkt het al snel door de luidspreker waardoor de blondine meteen met een lichte blos zit opgescheept. De deur gaat uit het slot nog voor ze haar roodgestifte mond hoeft te openen. Met open armen ontvangt een casual geklede Ben haar eens ze zijn loft binnenstapt. Hij ziet er heel anders uit dan de Ben die Bonnie gewend is. Ofwel zit de jongeman strak in zijn pak ofwel in zijn adembenemende adamskostuum. Vandaag draagt hij een lichtgrijze trainingsbroek en een strak wit T-shirt. De gedachte of dit de gangbare casual dresscode is van knappe venten, komt bij Bonnie op. Zijn lange donkere haar dat normaal in een dot samen is gebonden, hangt nu los tot bijna op zijn schouders. Voor Bonnie heeft hij er nog nooit zo aantrekkelijk uitgezien als nu. 
“Ik zie wat gij kunt gebruiken”, lacht Ben breed, haar met zijn bijna zwarte ogen van kop tot teen in zich opnemend.
“Een Baileys!”, voegt hij er knipogend aan toe voor hij zich naar zijn stijlvolle barkast begeeft. Het meubel moet van de jaren 70 dateren en is ongetwijfeld van de hand van één of andere Scandinavische architect.
“Goed geheugen … al is het misschien wel nog wat vroeg om in den drank te vliegen”, zegt Bonnie terwijl ze zich in zijn zetel nestelt, die dezelfde kleur blijkt te hebben als haar gloednieuwe blazer, waardoor ze lijkt op te gaan in het meubelstuk.
“Verrassend vrouwelijk, uw interieur”, lacht Bonnie terwijl ze de omgeving in zich op neemt. Het interieur van zijn stek lijkt rechtstreeks uit één of ander interieurblad gepikt. Toch straalt het, anders dan in de meeste strak moderne interieurs, iets uit wat alleen maar omschreven kan worden als ‘sfeervol’ door het gebruik van warme kleuren en materialen. Ondanks het alomvertegenwoordigde rood en oranje, ziet de plek er allesbehalve een homohol uit door de industriële look die het appartement uitstraalt. De ijzeren structuren van de trap en de mezzanine, die zijn doorgetrokken in de keuken, drukken er een stoere stempel op.
“Billy heeft het interieur gekozen”, verklaart Ben verwijzend naar zijn jongste broer. Bonnie haalt haar wenkbrauwen op bij wijze van herkenning.
“Hij studeert voor interieurarchitect. Als grote broer die als eerste een eigen appartement koopt, kon ik niet anders dan hem carte blanche te geven. Ik had gewoon één regel: gezellig, maar niet gay”, een uitspraak die bij Bonnie met gelach onthaald wordt.
“Ge moogt trots zijn op uw broer Ben, het is echt prachtig. En dat zeg ik niet gewoon omdat ik dat nu hoor te zeggen, geloof me.”
Hoewel Bonnie er alles aan doet om de ontmoeting zo luchtig mogelijk te houden, voelt het fout om in Bens appartement te zijn. Al was het maar simpelweg omdat Charlie er niets vanaf weet en ze vanochtend een smoes heeft moeten verzinnen om het huis uit te vluchten. 
“Bonnie,” steekt Ben serieus van wal alsof hij haar onzekerheid aanvoelt, “ik heb u niet uitgenodigd om over het interieur te praten.”
Hij giet zijn glas whisky half naar binnen in een poging haar blik te vermijden.
“Ook niet om me te neuken, heb ik de indruk.”
Glimlachend schudt Ben zijn hoofd, nog steeds met een starre blik op zijn glas whisky gericht. Amper het glas rakend, streelt zijn wijsvinger zacht de rand ervan.
“Ik ben niet aan het werk”, daagt hij haar uit, niet uit zijn lood te slaan.
“Ik zou u ook niet betalen”, gaat Bonnie verder om hem uit zijn kot te lokken.
“Ik zou u gratis doen”, lacht Ben breed en kijkt haar opeens wél strak aan waardoor Bonnie hem verstomd aan staart zonder iets over haar lippen te krijgen.
“Maar neen, Bonnie. Ook niet om te neuken”, besluit hij en neemt plaats naast haar in de sofa. In een vloeiende beweging ligt zijn hand op haar dij. Hoofdschuddend neemt Bonnie het subtiel op en legt het op zijn eigen dij.
“Hou uw handen dan maar thuis.”
Ben gooit ze de lucht in en kijkt hij haar met droevige donkere ogen aan.
“Ik heb u uitgenodigd om het te hebben over Charlie”, valt hij dan toch eindelijk met de deur in huis.
Nauwelijks verbaasd – waarover zou hij het anders willen hebben? – staart Bonnie hem zonder knipperen aan: “Wat is er met Charlie?”
Bens gezicht verdwijnt in zijn grote handen. Een diepe zucht weerklinkt doorheen het hoge appartement voor hij nerveus rechtspringt.
“Music”, klinkt het, “that’s what’s missing!”

Op momenteel nog ingebeelde muziek walst Ben naar een klassieke platenspeler in de hoek van zijn gigantische leefruimte. Vanuit een kast naast hem pikt hij er meteen een elpee uit. Nu pas valt het Bonnie op dat de kast, die zeker een meter of vier lang is, volgestopt zit met platen. Vanwaar zij zit leek het kleurrijke geheel ervoor eerder op een abstracte gesloten kast.
“Say hello to mister, Johnny Cash”, klinkt het op een lage toon terwijl hij de plaat uit de hoes haalt en vakkundig op zijn plaats legt in de platenspeler. Hij knipoogt naar haar terwijl hij met duim en wijsvinger de naald op de plaat laat vallen en na een paar krakerige stille seconden de trieste akkoorden van Hurt weerklinken.

“I hurt myself today to see if I still feel”, zingt the Man in Black met een krakerige gebroken stem. Het is hetzelfde lied dat tijdens de begrafenisplechtigheid van Bens vader Johnny door de grote kerk weerklonk, die toen tot de nok gevuld werd met droefheid. Even lijkt Ben in gedachten verzonken. Pas wanneer Johnny Cash’ woorden “What have I become my sweetest friend” weerklinken, neemt hij opnieuw naast Bonnie plaats, waardoor ze nu pas op zijn wang een traan opmerkt die wacht om op te drogen.
“Waar waren we?”, klinkt het stil van tussen zijn wat trillende lippe
Bonnie breekt en neemt zijn hand vast.
“Ben, komaan, ge maakt me nerveus. Wat is er?”
De adonis neemt terug wat afstand en zet opnieuw post richting de barkast waar hij zich een nieuwe whisky in schenkt.
“Gij nog een Baileys, Bonnie?”, kijkt hij even achter zich.
Wijzend naar het glas waar ze initieel maar half op had toegestemd, maakt ze duidelijk dat ze nog genoeg heeft. Wanneer ze hem luid zijn neus op hoort halen, weet ze hoe laat het is. Ook nu kijkt Ben om en biedt hij haar een kort rietje aan, wijzend naar een hoopje poeder op de kast. Maar Bonnie weigert, ze heeft zo het gevoel dat ze goed wil onthouden wat er gezegd gaat worden. Ben bindt zijn haar in een dot met een elastiek die voordien rond zijn pols hing, voor hij terug naast haar komt zitten.
“Het is te veel gewoon, Bonnie”, klinkt het opeens heel wat gejaagder dan voor de lijn.
“Alles wat ik hem de laatste jaren heb zien doen, Bonnie. Ik heb dat allemaal kunnen plaatsen. Want meid, ik ben er zeker van dat gij verre van het fijne weet van die vent van u, dat geef ik u op een blaadje.”
Even hapt hij naar adem en neemt hij nog een slok van het gouden goedje in zijn glas.
“Maar sinds hij de baas is”, gaat Ben verder zonder dat Bonnie iets gezegd heeft, “is hij niet meer dezelfde.”
“Sinds ik in zijn leven ben, bedoel je dan, Ben?”
Hoofdschuddend haalt Ben zijn schouders op: “Ik weet niet wanneer het begonnen is, maar hij sluit zich volledig af van mij. Vroeger wist ik altijd alles en nu zijn er tal van zaken waarvan hij me zelfs niet op de hoogte brengt. Ik moet dan zogezegd zijn rechterhand zijn, maar ja…”, perst hij er met een wanhopige stem uit. “De laatste twee, drie weken loopt ‘m echt als ne bezetene rond. Ik heb echt het gevoel dat hij tot alles in staat is.” 
“Ben, stopt efkens. Waarom vertelt ge me dit? Charlie en ik willen niets meer met elkaars zaken te maken hebben.”
Een paar zielige ogen staart Bonnie aan. Angst sijpelt doorheen Ben’s paniekerige stem. 
“Omdat ik niet meer kan zwijgen, Bonnie. En omdat ik dit niet aan De Raedtsmannen kan vertellen. Iedereen staat achter hem. Of faket het echt heel goed, alleszins. Als Charlie te weten komt dat ik aan zijn leiderschap twijfel, wil ik niet weten wat er gaat gebeuren.”
Bonnie schrikt van zijn woorden. Meteen wroeten de herinneringen aan Johnny’s dood als mollen doorheen de loopgraven van haar brein.
“Wat zou er gebeuren?”, probeert Bonnie op een luchtige manier te reageren, met een machteloze Ben als gevolg.
“Gij weet echt niet waartoe Charlie in staat is, Bonnie”, schudt hij ontgoocheld met zijn hoofd. “Weet gij echt niet wat hij allemaal al gedaan heeft? En dan heb ik het niet over grieten neuken!”
Hij klinkt hard en bot.
“Waarom zegt ge dees nu pas?”, vraagt Bonnie om to-the-point te komen.
Als ze merkt dat Ben niet reageert, gaat ze verder: “Waarom hebt ge me dan met die vent laten trouwen, Ben? Waarom waarde gij dan zijne getuige? Als ge hem niet vertrouwt?”, sneert ze hem toe.
“Omdat beste vrienden dat niet doen”, klinkt het neerslachtig.
“En wat is er dan veranderd?”, probeert Bonnie te polsen.
Ben komt meteen ter zake: “Hij heeft mijn vader vermoord.”
“Een engel als gij verdient meer dan de duivel in hoogsteigen persoon”, fluistert hij en steekt een losse lok achter zijn oor.
“Beter de duivel dan zijn hulpje?”, vraagt ze uitdagend.
“Hoge bomen vangen veel wind, Bonnie”, klinkt het droog. “Ik ga niet eeuwig Robin blijven.”
Lachend schudt Bonnie haar hoofd: “Everyone wants to be Batman.”
Maar Ben kijkt zuchtend weg: “Ik zal nooit meer Batman kunnen zijn. Want Batman da’s ne goeie. Voor eeuwig ben ik verdoemd tot het rijk der slechteriken. De mannen à la the Joker, the Penguin en Twoface, dat zijn wij. En laat Charlie dan maar die laatste zijn.”
Bonnie zucht. 
“Ge kunt met de flikken gaan praten.”
“Komaan Bonnie, de flikken zijn een grap.”

Met een wrang gevoel komt Bonnie thuis. Op het eerste zicht is haar wederhelft nergens te bespeuren. Ze hoort muziek van boven komen. Ze herkent al snel Make it Wit Chu van Queens of the Stone Age.

Boven treft ze een lege slaapkamer aan en stapt Bonnie door naar de badkamer. Daar treft ze Charlie met gesloten ogen in bad aan. Een uitgedoofde joint balanceert tussen zijn lippen. 
“Het is hier precies gezellig, Charlie?”

I just can’t recall what started it off
Or how to begin again
I ain’t here to break ya
Just see how far it will bend.

Queens of the Stone Age

Verschrikt schieten zijn ogen open. Wanneer hij beseft dat zij het is, vervormt zijn mond in een bescheiden grijns. Hij steekt de joint terug op. Bonnie kleedt zich langzaam uit en stapt bij haar man in bad. 
“Zware dag gehad?”, polst ze voorzichtig.
Hij knikt terwijl hij diep inhaleert.
“Het is al lang geleden dat ik zo een zware dag had”, klinkt het serieus.
Bens woorden van vanochtend spoken door haar hoofd terwijl Bonnie haar vent met afwachtende ogen aan kijkt. Ze pikt de joint uit Charlie’s handen en gebaart hem verder te gaan. 
“Ik heb de hele dag bij de flikken gezeten”, zegt hij na enige tijd.
Bonnie schrikt: “Opnieuw? Wat hebben ze?”
Teneergeslagen laat Charlie zijn hoofd in het water zakken. 
“Charlie, godverdomme!”
Ze trekt aan zijn been. Langzaam komt hij terug boven water.
“Ze hebben veel”, fluistert hij. 
“Ze hebben bewijsmateriaal dat ik de opdracht gegeven heb om Johnny om te brengen.”
Opvallend objectief klinkt zijn stem terwijl hij zegt dat hij ten dode is opgeschreven. Voor Bonnie lijkt het alsof de wereld even ophoudt te bestaan. Iets wat steeds een ver van hun bed show is geweest, is in één klap de akelige realiteit. Zijn onzekere blik doet Bonnie huiveren. 
“Wat nu?”
Zijn gezicht verdwijnt in zijn grote handen. 
“Dat is niet het enige wat ze hebben.”
Bonnie’s lip trilt. 
“Waarom heb ik het gevoel dat het ergste nog moet komen?”, zegt ze voorzichtig.
Hij laat zijn handen in het water zakken en ademt diep in. 
“Er is een huiszoeking geweest in Delight. Ik heb de kluis moeten openen en daarin lag 500 gram coke.”
“En uw geweer”, klinkt het heel wat decibels minder. 
“Mijn wat?” 
Bonnie’s stem slaat over. 
“Het geweer waarmee je die Bosch hebt vermoord.” 
Haar hartslag schiet de hoogte in. Het bloed in haar lichaam pompt zich een weg naar haar wangen. 
“Gij godverdomse klootzak”, spuwt ze eruit. 
Meteen stapt ze uit bad en zonder zich af te drogen vlucht ze de badkamer uit. 

“Bonnie, wacht”, klinkt het van ver terwijl ze zich in een handdoek wikkelt en zich machteloos op bed laat vallen. 
“Prinses.” 
Bonnie is niet van plan te reageren. Ze kijkt machteloos voor zich uit. 
“Dat wapen was clean, Bonnie. Geen bloedsporen, geen vingerafdrukken. Niets wijst uw richting uit. Je moet geen schrik hebben.” 
Ze keert zich toch zijn richting uit. 
“Waarom heb je dat niet doen verdwijnen zoals je me beloofd hebt?”
Charlie haalt zijn schouders op. 
“Ik heb dat proper gemaakt en aan Ben gegeven met de vraag om het te doen verdwijnen. Wist ik veel dat hij dat in de kluis van Delight ging steken? Ik gebruik die fucking kluis nooit. Ik had geen idee wat daarin zat toen ik ze vanmiddag moest open maken.” 
De tranen rollen oncontroleerbaar over Bonnie’s wangen. 
“Nog iets?” 
Hij kijkt naar zijn schoot. 
“Ze weten dat die coke van jullie komt. Dat hebben ze me duidelijk laten verstaan. Als ik ‘waardevolle informatie’ kan delen over jullie handel, zijn ze bereid alles in de doofpot te steken. De bewijzen op Johnny, het wapen, …” 
Charlie’s woorden tollen door Bonnie’s hoofd. Ze voelt de fundamenten onder zich kapot geslagen worden. Haar vragende ogen sporen Charlie aan verder te praten. 
“Jij moet me zeggen wat ik moet doen, Bonnie. Het bezwarend materiaal waar ze vandaag mee naar mijn kop gezwaaid hebben, is alleszins niet van de poes. Als ik niet meewerk, vlieg ik den bak in. En dat zal niet voor minder dan 10 jaar zijn. Als ik iets los over de bende van uw moeder, zal dat misschien minder zijn. Of helemaal niets. Afhankelijk van wat ik kan, en vooral wil, lossen.”
Ze onderbreekt hem en springt uit bed. 
“Stop met praten, Charlie. Ik moet nadenken.” 
Haastig zoekt ze een outfit bij elkaar en vlucht naar beneden. Nog voor hij haar kan volgen, rent ze het huis uit, haar auto in. Met piepende banden rijdt ze de oprijlaan af. In haar achteruitkijkspiegel ziet ze nog net een naakte Charlie de voordeur uitlopen. Ze toetst het telefoonnummer van haar moeder in. Na één wachttoon neemt ze op. 
“Ja, Bonnie?” 
Anita klinkt zenuwachtig. 
“Mama”, is het enige wat ze eruit krijgt. Haar mond is kurkdroog. 
“Wat is er, Bonnie? Waar zijde gij?” 
Bonnie haalt haar schouders op. Hoewel ze probeert de kracht te vinden om een antwoord te formuleren, kan ze alleen luid snikken. 
“Bonnie, godverdomme. Antwoord toch gewoon!”
Ze zucht en vindt haar woorden. 
“Het zijn de flikken.” 
“Zeg maar niets meer. Ik ben in den Bar. Kunde naar hier komen?”
Bonnie knikt. 
“Ik ben daar binnen tien minuten.” 

Schoorvoetend stapt Bonnie den Bar binnen. Meteen ziet ze haar moeder aan een tafel achterin zitten. Aangezien zij geen aanstalten maakt om zich recht te zetten, gaat Bonnie haar richting uit en zet ze zich op de stoel tegenover Anita. 
“Ge ziet eruit alsof ge een spook hebt gezien, Bonnie.” 
Bonnie strijkt haar natte haren over haar hoofd, in een poging haar betraande gezicht vrij te maken. 
“De flikken hebben mijn geweer”, gooit ze eruit. 
Anita’s ogen spuwen vuur. 
“Wat? Welk geweer? Zeg me niet hét geweer?”
Bonnie knikt. Er rolt een traan over haar wang. 
“Godverdomme, Bonnie! Hoe komen ze daaraan?” 
Ze twijfelt of ze de waarheid moet zeggen. Als ze dat doet, opent ze de poorten van de hel. 
“Er was een inval in Delight vandaag.” 
“En wat heeft dat met uw wapen te maken?” 
Bonnie bijt de reeds tot stompjes gereduceerde vingernagels aan flarden. 
“Charlie ging dat doen verdwijnen”, mompelt ze. 
Anita sluit haar ogen en schudt haar hoofd. 
“Gij achterlijk kind.” 
Meteen zet ze zich recht en stapt naar de deur. Bonnie blijft verdwaasd achter. 
“Meekomen!”, klinkt het dwingend voor haar moeder buiten stapt en de deur achter zich dichtgooit. 
Bonnie doet wat haar gevraagd wordt en stapt de deur uit. De motor van haar moeders wagen draait al. Snel trekt ze het portier aan de passagierszijde open en neemt ze plaats. Hoewel ze dat allerminst gewend is van Anita, vertrekt zij ook met piepende banden. 
“Waar gaan we naartoe?”, tracht ze het ijs te breken. 
“Naar de flikken”, klinkt het kordaat.

Haar moeder is amper bij te benen op weg naar het kantoor van rechercheur Verschoten. De man in kwestie volgt het moeder-dochterduo en slaat haastig de deur achter hen dicht. Ook de lamellen aan zijn raam gaan toe. 
“Anita, je kan hier niet zo maar binnenvallen!”, zegt de politieman met een no-nonsense blik.
Maar ondanks zijn woorden, merkt Bonnie meteen iets vreemds op in dezelfde blik, iets zachts. Haar vermoeden wordt meteen versterkt wanneer haar moeder zijn das vastgrijpt en hem naar zich toe trekt voor een tongkus van formaat, waar de man gewillig op ingaat. Even lijkt het alsof Bonnie verstoten is naar een andere dimensie. Maar na een seconde of dertig wrikt de man zich los uit de klauwen van Anita en zet zich achter zijn bureau.
“Aangezien je je dochter hebt meegebracht, vermoed ik niet dat je hier bent om te neuken, Anita”, zegt meneer Verschoten met een lichte grijns aan Bonnie’s adres.
Meteen begrijpt Bonnie wat haar moeder in hem ziet. Het is een man van een jaar of veertig. Of toch misschien richting de vijftig, aan zijn grijze haren af te lezen. Maar karakter komt bij mannen net zoals bij goede wijn of whisky met de jaren, en deze vent is daar wederom het bewijs van.
“Slim gezien, Bert”, zegt Anita sarcastisch. “Ik heb wat informatie nodig. Over wat jullie hebben over de Bende, over mijn dochter hier én over haar lieftallige wederhelft, Charlie De Raedt.”
De laatste naam doet duidelijk een belletje rinkelen bij Verschoten. De rechtermondhoek van de rechercheur schiet een fractie van een seconde de lucht in. Even ontsnapt er een amper waarneembaar kuchje voor hij van wal steekt.
“Anita, je moet ook niet overdrijven. Ik kan u helpen, uw organisatie. En uw dochter ook, als het tenminste met de Bende te maken heeft. Maar van Charlie De Raedt,” zegt hij scherp terwijl hij Bonnie recht in haar ogen kijkt en zijn handen machteloos de lucht in gooit, “ hou ik mijn fikken af.”
Anita zucht maar klinkt daarop meteen kordaat: “Bonnie, ga buiten wachten.”

Nog geen woord heeft Anita gezegd sinds ze het politiecommissariaat is uitgestormd en opnieuw als een echte Johnny, of Marina in haar geval, met piepende banden is vertrokken. Mocht Bonnie haar moeder niet als een kuiken achtervolgd hebben, zou ze niet de tijd hebben gekregen om in te stappen.
“En?”, polst Bonnie voorzichtig na vijf minuten volledige radiostilte. 
Meteen gaat Anita op de rem staan: van honderd naar nul in nog geen seconde. Haar blik verplaatst zich in een ruk van de weg naar haar dochter. 
“Ge hebt tegen mij gelogen, Bonnie.”
Nog nooit heeft Bonnie haar moeder zo kwetsbaar gezien. Haar ogen zijn waterig, haar onderlip trilt. 
“Waarover?”
Anita rolt met haar ogen. 
“Dat zegt al genoeg. Over veel waarschijnlijk, maar ik heb het over de overval op die fucking nachtwinkel. Verschoten heeft me net beelden laten zien van de bewakingscamera. Ge staat er schoon op, moet ik zeggen.”
Bonnie schudt met haar hoofd en stamelt iets onsamenhangend. 
“Op één beeld zie je hoe je een geweer richt op die Paki van achter de toog. Uwe pols is bloot.”
Anita grijpt Bonnie aan haar hand beet. 
“Die klote tattoo gaat u de nek omdoen, Bonnie!” 
Bonnie grijpt haar wangen vast en zucht. 
“Kunde dat zo goed zien op die camera’s?” 
Haar moeder schudt haar hoofd. 
“Ik wist dat ik juist zat. Echt Bonnie, daar gaan we het nog over hebben.”
“Maar neen,” gaat ze verder. “Ge kunt dat niet zo goed zien. Maar ik zie het wél. Ik zag ook direct dat dat wapen hét wapen is waarmee ge Bosch hebt kapot gemaakt.” 
“Dus de flikken weten dat niet?” 
Anita schudt haar hoofd. 
“Nog niet.” 
Bonnie haalt opgelucht adem. 
“Waarom hebben ze dat dan aan u getoond?” 
“Omdat ze weten zeker weten dat de andere overvaller Charlie is, maar ze hebben geen bewijzen. Daarom de inval in Delight vandaag. Daar lag godverdomme nog ne halve kilo van ons rond te slingeren. En uw wapen inderdaad: proper, zonder vingerafdrukken of bloed. Maar het gaat niet lang duren eer ze gaan zien dat dat het wapen is op de beelden van de overval. Godverdomme, Bonnie. Hoe kunde zo slordig zijn?” 
Machteloos slaat Anita tegen de versnellingspook. Bonnie haalt haar hand door haar haar. 
“Sorry, mama. Heeft hij nog iets gezegd?” 
Anita schudt haar hoofd. 
“Dus niets over Johnny?” 
“Wat valt er te weten over Johnny?” 
Bonnie voelt hoe ze rood aanloopt. 
“Kan ik niet zeggen.” 
Anita draait de sleutel een kwartslag in het contact van haar auto. 
“Ik wil zo snel mogelijk samenzitten met Charlie”, besluit ze.  

In de cocon van haar eigen auto denkt Bonnie aan Koen. Ze besluit hem te bellen. Een golf van opluchting stroomt door haar heen wanneer ze zijn stem hoort.  
“Bonnie, ik ben zo blij da ge belt!”
Ze lacht. 
“Ik ben blij dat ik u te pakken krijg.” 
“Waar zit gij?” 
“Onderweg naar huis.” 
“Komde efkes langs?”
Ze schudt haar hoofd. 
“Ik moet Charlie zeker te pakken krijgen. Maar ik wilde u graag horen. Het is echt een kakdag.” 
Hij lacht. 
“Ik moet u iets zeggen, Bonnie.” 
Haar maag krimpt. Zijn intonatie klinkt onheilspellend. 
“Wat is er?”
Hij zucht. 
“Ik ben weg, morgen.”
“Wat?” 
“Wij zijn weg morgen, eigenlijk. Eden en ik.”
“Met Eden? Waarnaartoe?”
“Ik weet niet, Bonnie. Het land uit, de vlieger op en verdwijnen gewoon.”
“Vanwaar komt dit nu opeens, Koen? Ge zijt toch aan ’t zeveren?”, briest Bonnie.
“Ik zit in de shit, Bonnie. En ik zie maar één uitweg, en dat is weg, gewoon. Foetsjie. Verdwijnen…”, klinkt het stiller en stiller alsof hij toch nog niet zo zeker is van zijn zaak.
“Wat wil je nu dat ik daarop zeg, Koen? Hoe dom het is om met een vrouw waar ge nog geen half jaar samen mee zijt, te verdwijnen?”
Ze hoort hem slikken. 
“Ik kan niet anders. En ik kan u niet uitleggen waarom. Niemand weet hierover, maar ik ben blij dat ik het toch nog aan u heb kunnen zeggen, Bonnie.”
Bonnie voelt hoe een kanjer van een traan opwelt in haar linkeroog en de eerste blijkt van een hele zondvloed. 
“Ik heb u ’t liefst, Bonnie”, fluistert hij voor hij aflegt. 

Er komt geen einde aan deze kakdag.