Categorieën
Uncategorized

Hoofdstuk 17

Twee politiemannen staren Bonnie met grote ogen aan. De man in de hoek van de verhoorruimte is zo’n typische flik inclusief gedateerde bril, dikke snor en stevige bierpens. De andere vent zit recht voor Bonnie aan een tafel, het enige meubelstuk dat er naast zijn stoel en die van Bonnie staat. Bonnie heeft alle moeite van de wereld om haar ademhaling onder controle te houden, maar weet met zekerheid dat ze één en al kalmte uitstraalt.
“Bonnie, ik ga niet rond de pot draaien.”
De stem van de politieman tegenover Bonnie – op zijn naamkaartje prijkt de naam Verhaeghen – klinkt hoger dan verwacht, wat haar even uit haar rol haalt en kort een glimlach op haar gezicht tovert. Wat het zo grappig maakt is dat deze man, in tegenstelling tot zijn kompaan in de hoek van de kamer, een en al autoriteit uitstraalt: een militaire gemillimeterde snit, een stoere stoppelbaard en een lichaam om ‘u’ tegen te zeggen. Hij moet zeker twee meter zijn, bedenkt Bonnie zich afwachtend op wat nog komen zal.
“Een goede vier maand geleden is er een overval gepleegd op een nachtwinkel. De bewakingscamera’s leren ons dat het gaat om twee individuen gehuld in zwart leer, beide met een donkere helm. Aan hun gestalte kunnen we zien dat het gaat om een man en een vrouw, of een kind, maar die piste is onwaarschijnlijk.”
Natuurlijk gaat het over de overval. Daarvoor is Charlie gisteren ook opgepakt. 
“Wat de overval speciaal maakt, Bonnie,” gaat inspecteur Verhaeghen verder, “is dat de motorrijder in kwestie al vaak in beeld is geweest en we een aantal vermoedens hebben betreffende zijn identiteit. Vermoedens die nu, door de evolutie in zijn overvalgedrag – waarmee ik bedoel dat hij niet langer alleen werkt – bevestigd worden.”
Kan deze man nog meer in raadsels spreken, vraagt Bonnie zich af. Het is duidelijk dat ze niets hebben, met zo’n verhaal.
“Je hoeft niet met je ogen te rollen, juffrouw Bonnie, je weet goed genoeg dat ik het over jouw Charlie heb. En over jou ook trouwens.”
Bonnie speelt ontzetting als een ervaren Hollywood actrice.
“Inspecteur, is er enig bewijs voor deze aantijging?”

Ze gebruikt exact de woorden die Charlie haar gisteren ingefluisterd heeft. Want Charlie verduidelijkte Bonnie kordaat dat de kans dat zij opgepakt zou worden voor ondervraging reëel was. Iets wat haar vent duidelijk goed heeft ingeschat, gezien de situatie waar de jongedame zich momenteel in bevindt.
“Nog niet, juffrouw Bonnie. Maar die komt wel. En als die komt, voor jij meewerkt, ben je even schuldig als je vent. Want ja, je hoort het goed, juffrouw.”
Zijn overdreven intonatie irriteert Bonnie. Ze ademt een paar keer rustig diep in en uit, wachtend tot de man zijn monoloog verder zet.
“We zijn bereid een deal te maken. Jij gaat vrijuit in die overval als je getuigt dat Charlie De Raedt de bedenker was van die misdaad.”
Bonnie kan een lach niet onderdrukken.
“Sorry, mannen, maar ik heb zaken af te handelen. Als jullie niets concreets hebben, stel ik voor dat we dit onderonsje afronden.”
Het farse toontje van Bonnie wordt allerminst enthousiast onthaald door inspecteur Verhaeghen, die woest op tafel klopt. Net als Charlie, bedenkt Bonnie grijnzend.
“Wrijf die grijns van je gezicht, juffrouw”, sist de man voor hij zich recht zet en zijn plaats afstaat aan zijn collega, inspecteur Kramers, zo verraadt het naamkaartje op zijn borst.
“Ik heb misschien een andere deal die je kan interesseren, Bonnie.”
Tot Bonnie’s groot plezier klinkt deze man zijn stem dan weer lager dan verwacht. Ze vervloekt de joint die ze nog geen half uur voor de politie-interventie gerookt heeft. Aan de andere kant helpt die haar ook wel rustig te blijven. Afwachtend tikt ze met haar hak tegen de poot van de tafel.
“Waarom zou ik eigenlijk geïnteresseerd zijn in een deal?”, vraagt ze serieus.
De besnorde vetzak voor haar lacht zijn vergeelde rotte tanden bloot.
“We besluiten meestal een deal met degenen die ook iets op hun kerfstok hebben, juffrouw. Zo gaat dat in deze wereld. Jij doet iets voor ons, wij doen iets voor jou.”
Bonnie klapt één keer uitdagend in haar handen.
“Kom maar op dan met je voorstel.”
De diepe fronzen die zich aftekenen in het voorhoofd van inspecteur Kramers halen Bonnie even uit haar concentratie. Even kan ze niet meer denken. Hier was ze niet op voorbereid. Laat ze maar kletsen, denkt ze nog voor de flik van wal steekt.
“Laat me eens kijken”, zegt hij terwijl hij het dossier dat voor zich op de tafel ligt, doorneemt. “Levensbedreiging, illegaal wapenbezit, diefstal”, even pauzeert hij om Bonnie recht in de ogen te kijken.
“Is dat al genoeg voor de juffrouw?”
Eén van zijn mondhoeken schiet omhoog. De moed zakt Bonnie in de schoenen. Bosch, schiet het door haar hoofd. Natuurlijk heeft die rat zijn mond niet gehouden.
“Ik weet daar niets van meneer. Ik ga dezelfde vraag stellen als daarnet. Is er enig bewijs voor deze aantijgingen?”
Langzaam gaat het hoofd van de politieman op en neer. De brede grijns voorspelt niet veel goeds.
“Er is een getuige.”
“Kom laat me niet lachen, ik ben hier weg.”
De twee politiemannen springen meteen recht wanneer Bonnie haar stoel achter zich gooit en richting de deur stapt.
“Tenzij jullie me willen arresteren?”, zegt ze op een hautain toontje.
De dikzak, die een halve kop kleiner blijkt te zijn dan Bonnie nu ze recht tegenover elkaar staan, wijst haar vermanend aan: “Dat komt nog wel.”
“Waag het niet me nog eens op te pakken zonder bewijsmateriaal. Anders klaagt mijn advocaat jullie aan voor eerroof”, waarschuwt Bonnie het duo nog met zelfzekere stem voor ze het politiekantoor zonder omkijken uitstapt, rechtstreeks de BMW van Charlie in die voor de deur geparkeerd staat.

“En?”
Bonnie onderdrukt niet langer haar gevoelens en slaakt een gil.
“Rustig Bonnie”, sust Charlie haar en zet zijn woorden kracht bij door zijn hand op haar dijbeen te leggen.
“Ik heb niets gezegd.”
Bemoedigend klopt Charlie een paar keer op haar dij: “That’s my girl.”
“Het ging dus alleen over de overval”, klinkt het half vragend na een tijdje stilte terwijl Charlie de weg naar de loft heeft ingezet.
Bonnie schudt bijna onmerkbaar haar hoofd. Charlie remt bruusk en zet de auto langs de kant.
“Wat hebben ze nog gevraagd?”
Bonnie wuift zijn vraag weg.
“Ik kan dat niet zeggen. Het heeft niets met u te maken.”
Charlie’s wenkbrauw gaat de lucht in en een kleine grijns maakt zich meester van zijn tronie.
“Het is niet grappig, Charlie.”
Hij haalt onschuldig zijn handen op: “Sorry.”
“Rij nu maar gewoon naar huis”, zucht Bonnie terwijl ze haar hoofd laat rusten tegen de ruit van de wagen en de straatlantaarns in flitsen voorbij ziet passeren.

“Als je wil doe ik het, Bonnie.”
Amy’s stem klinkt scherp door de intercom in Bonnie’s helm. Blijkbaar is het een populair snufje onder de motorrijders. Bonnie schudt haar hoofd waardoor de helmen van de twee vrouwen tegen elkaar botsen. Zij moet dit doen. Er is niemand beter geschikt voor die klus dan zij. Nog één keer ademt ze diep in voor ze de motor van Amy afstapt en de afstand naar Bosch zijn Aston Martin aflegt. Ver is dat niet, gezien ze de man net verplicht hebben langs de kant van een verlaten weg te stoppen. De hele rit van zijn stamcafé naar zijn huis heeft Amy, met achterop Bonnie, hem achtervolgd op haar motor. Tot op de afgesproken plaats, de perfecte plaats voor wat er nu moet gebeuren. Met haar geweer, voor de gelegenheid voorzien van een demper, tikt ze drie keer tegen het raam van de Aston Martin. De man schudt angstig zijn hoofd omdat hij goed beseft wat hem te wachten staat. Wanneer hij geen aanstalten maakt om zijn raampje open te doen, draait Bonnie kleine rondjes met haar geweer.
“Ik zou opendoen, Mr. Bosch”, zegt ze luid terwijl ze het vizier van haar helm opent. Haar woorden hebben het gewenste effect, want de man doet al snel wat van hem gevraagd wordt.
“Dit had je toch moeten zien aankomen”, zegt ze droog voor ze de trekker overhaalt en een kogel tussen zijn ogen plant. Samen met Mr. Bosch stopt Bonnie even met ademen. Maar in tegenstelling tot de zijne herpakken haar longen zich en slaagt ze erin naar adem te happen. In de rust die in zijn ogen verschijnt, lijkt Bonnie even te verdrinken. Tot ze zich omkeert, haar wapen in haar binnenzak steekt en als een dief in de nacht de nog ronkende motor van Amy opstapt.
“Let’s go”, zegt Amy, voor Bonnie amper waarneembaar. Ze hoort enkel nog een felle gons wanneer ze ongezien van het plaatsdelict wegscheuren.

“De eerste is de moeilijkste”, bemoedigt Amy haar terwijl ze wat later aan een glas whisky nipt.
Bonnie rolt met haar ogen omdat ze niet weet hoe te reageren noch hoe ze zich voelt bij deze situatie.
“Echt waar, Bonnie. Dat moest gewoon gebeuren. Die man wist te veel. Want wat de flikken aan jouw neus hebben gehangen is maar een fractie van wat die man over ons te vertellen had. Dat weet je toch?”
Geïrriteerd door Amy’s vraag knikt Bonnie terwijl ze zenuwachtig aan haar sigaret trekt. Met haar andere hand omklemt Bonnie haar glas Scotch. Dat heeft haar moeder haar genoeg op het hart gedrukt: de man moest dood. En dat Bonnie degene was die de klus moest klaren evenzeer. Maar dat maakt het kotsmisselijke gevoel dat zich ter hoogte van Bonnie’s maag manifesteert, er niet beter op. In één keer giet ze de whisky naar binnen waardoor haar maag even protesteert en ze de toog van den Bar onder dreigt te kotsen. Meteen schiet Amy in actie en neemt Bonnie bij de hand.
“Kom, naar de wc.”
Slaafs volgt de blondine haar veel grotere vriendin de vrouwentoiletten binnen. Als een voddenpop wordt ze voor een toilet op de grond geduwd, en voor ze grip kan krijgen op haar maaginhoud komt alles eruit. Achter haar staat Amy, als een rots in de branding, onder de vorm van een meid die je haar vasthoudt om ervoor te zorgen dat het niet vol hangt met kots. Daar is familie voor. Wanneer alles er uit lijkt, zakt Bonnie als een kaartenhuisje in mekaar. Amy neemt haar vast als een kind en draagt haar een verdieping hoger de studio in. In het bed laat Amy Bonnie langzaam vallen.
“Bekom hier maar even”, zegt ze bezorgd.
Bonnie lacht breed en schudt haar hoofd.
“Het gaat al beter. Fuck man!”
Amy klopt bemoedigend op haar schoot.
“Happens to everyone.”
In de deuropening van de studio staat plots Anita.
“Bonnie, alles goed?”
Ze ziet er half geamuseerd, half bezorgd uit; niet goed wetende hoe de gezondheidstoestand van haar dochter ervoor staat. Bonnie lacht haar moeder toe.
“Het gaat wel, jezus!”
Met trotse ogen schudt Anita haar hoofd wanneer ze naast haar dochter op het bed plaats neemt. Langzaam streelt ze haar hand.
“Niemand heeft jullie gezien Bonnie. Mijn informant bij de politie heeft me ervan verzekerd dat de man niet over politiebewaking beschikte. Heb je nog in mijn dagboek gelezen, Bonnie?”
Ontkennend schudt Bonnie haar hoofd.
“Wil je iets doen voor mij? Lees het stuk dat ik erin geschreven heb op 17 september 1997.”
Bonnie knikt, bij God niet wetende waarover die passage dan wel moet gaan. Haar moeder kust haar nog zorgzaam op haar voorhoofd voor ze de studio uit loopt, Amy in haar kielzog meenemend.
“Als er iets is, bel je maar”, kan Amy nog net zeggen voor de deur wordt dichtgegooid. Snel springt Bonnie uit bed, even balancerend zoekend naar evenwicht voor ze het dagboek van haar moeder uit een doos van onder haar bed haalt. Na enig bladerwerk vindt ze wat ze zoekt.

17 september 1997

Dat wat ik al die jaren uit de weg ben kunnen gaan, is gebeurd. Mijn hartslag raast nog steeds de hoogte in als ik terugdenk aan het moment dat ik het leven voelde wegzuigen uit het lichaam van Marcel, volledig toegetakeld door tal van messteken. Steken die het mes in mijn handen veroorzaakt hadden. Het leek alsof mijn ziel even uit mijn lichaam steeg en afstand deed van de daad die mijn lichaam net verricht had. Een doodzonde.

Maar wat doe je als de dood de enige oplossing is? Als je moet kiezen tussen jou en je entourage of het leven van een onbekende? Als het erop aankomt, kiest iedereen voor zichzelf. Degenen die deze stelling ontkennen, zijn mensen die nog nooit voor de keuzes hebben gestaan die dagelijks mijn pad vormen. Een pad dat bezaaid ligt met foute keuzes en lepe valstrikken. Het is een ambacht om te weten welke weg je moet inslaan en welke verleidingen je moet trachten te weerstaan. Soms moet je om de juiste weg te vinden echter heel wat obstakels door. En jammer genoeg zijn die obstakels soms mensen zoals jij en ik. Maar als jij het bent of ik… Dan verkies ik mezelf. 

Nog half in dromenland strompelt Bonnie de keuken in en neemt ze plaats op de tafel in het verlengde van het gigantische kookeiland waar Charlie in de weer is met spek met eieren.
“Goeiemorgen, zonnetje. Krijg ik geen zoen?”
Bonnie zucht en geeft hem een snelle kus als hij recht voor haar komt staan. Maar daar neemt hij geen genoegen mee. Hij grijpt Bonnie beet en zet haar met haar blote kont op het koude aanrecht. Doorheen de stof van zijn trainingsbroek reageert Bonnie’s blote poes meteen op de aanwezigheid van zijn halfstijve lul. Wanneer Charlie haar blik vangt, neemt hij haar kin beet tussen duim en wijsvinger.
“Jij ziet er zo…”
Hij keert haar hoofd even naar rechts en dan naar links.
“Geen twijfel mogelijk”, bestudeert hij geheimzinnig, Bonnie in het onzekere latend over zijn bedoelingen. Ze kijkt hem met een dwaze blik aan in een poging op die manier zijn strenge ogen te kunnen ontwijken. 
“Charlie, wat voor zever ben je nu weer aan het verkondigen?”
Maar Charlie weet van geen ophouden en schudt grijnzend zijn hoofd.
“Je hebt uw eerste moord gepleegd”, zegt hij droog, alsof hij de mazelen constateert bij een kind van acht.
“Zeg me dat ik het mis heb”, voegt hij er half smekend aan toe.
Bonnie kan haar oren niet geloven en slaat haar handen voor haar ogen waardoor ze uit zijn grip kan ontsnappen. Snel vlucht ze de sofa in, maar Charlie volgt haar op de voet en komt naast haar zitten.
“Hé, Bonnie, chill hé meisje. Ik ben zelfs een beetje trots op u”, fluistert hij met een gigantisch grote lach op zijn gezicht.
Bonnie rolt met haar ogen: “Ik kan daar niet trots op zijn.”
De schouders van Charlie gaan de hoogte in: “Dat hoeft ook niet.”
“Wat moet gebeuren, moet gebeuren. Als het goed gedaan is, komen er geen vodden van”, zegt hij resoluut.
Nadat hij een denkbeeldig stofje uit zijn ringbaardje heeft geplukt, gaat Charlie verder: “Het is toch goed gedaan?”
Bonnie knikt en kan het niet laten haar mondhoeken naar boven te krullen.
“Perfect”, zegt ze, met een trotsheid die ze niet kan verbergen.
“Zo wil ik het horen”, knikt hij goedkeurend en wrijft haar reeds in alle richtingen staand kapsel nog wat meer door elkaar.
“Zeg,” bedenkt Charlie zich opeens, “die moord van je heeft toch niets te maken met je onderonsje bij de flikken?”
Zo oprecht mogelijk tracht Bonnie haar hoofd te schudden. Maar opnieuw heeft Charlie door dat ze liegt.
“Kijk me aan als ik tegen je praat”, klinkt het bot terwijl hij opnieuw haar kin tussen wijsvinger en duim klemt.
Bonnie draait met haar ogen: “Charlie, doe eens normaal, zeg. Het één heeft niets met het andere te maken, goed. En stop er nu maar over!”
In een ruk trekt ze zich van hem weg en loopt ze de badkamer in. De stralen van de douche zijn een welkome vlucht in een immer natte wereld. Samen met elke waterstraal die verdwijnt in de riolering, lijkt ook haar schuldgevoel weg te vloeien.

“Je moet vandaag niet werken, hé Bonnie?”, vraagt Charlie haar wanneer ze na een deugddoende douche enkel gehuld in een grote handdoek terug de leefruimte in stapt.
“Neen, waarom?”
“Heb je gezien wat voor een prachtige dag het is? Perfect weer voor een motorritje, als je ’t mij vraagt. Wat vind je van een ritje net over de Franse grens, mijn pa heeft daar een huisje”, polst Charlie voorzichtig, goed en wel de graad van Bonnie’s ochtendhumeur in acht nemend. Bonnie ziet zijn voorstel meteen zitten, eens goed uitwaaien en de gedachten op nul zetten zal haar meer dan deugd doen.
“Ik heb al mijn spullen bij elkaar gepakt, maar vind jouw motorpak nergens. En uw helm is blijkbaar ook foetsie.”
Bonnie schudt haar hoofd.
“Dat pak en die helm liggen in het waskot.”
Vragend kijkt Charlie haar aan.
“Wat doet dat in het waskot? Je bent toch niet alleen met mijn motor gaan rijden?”
Zijn stem slaat paniekerig de hoogte in. Maar Bonnie stelt hem snel gerust.
“Ik ben gisteren met Amy een toer gaan doen.”
Wat verrast knikt Charlie voor hij de weg naar het waskot inzet.

Met gefronste wenkbrauwen en een bedrukte blik komt hij de berging uit met in zijn ene hand de helm en in de andere haar vest en broek. In één keer zwiert hij alles op de keukentafel.
“Vind je het normaal dat die vest en die helm gewoon vol hangen met bloed?”
De absurditeit van de situatie hakt als een bijl in en het duo schiet beiden in het lachen uit. Wanneer ze uitgelachen zijn, schudt Charlie zijn hoofd.
“Meid, even serieus nu. Je kan dat niet hebben, bloedspetters die je kunnen linken aan een verdacht overlijden. En jij zegt dat de moord perfect is verlopen. Fuck man! Zeg me niet dat het moordwapen hier ook ergens rondslingert.”
Bonnie moet met schaamrood op de wangen toegeven dat dat wel degelijk het geval is waarna de hel losbreekt.
“Zakelijk advies, Bonnie: als je een moord gepleegd hebt, ga je pas slapen wanneer alle sporen naar jou zijn uitgewist. Ik zal daar deze keer wel voor zorgen, maar ik garandeer u dat ik dat niet nog eens doe!”